- Constructie (wielen, assen, vorm, cabine etc)
- Voorzieningen tegen treinbreuk (koppelingen)
- Onderhoud
Treinwielen zitten onwrikbaar vast op hun as. Daardoor zoeken de naar buiten afgeschuinde loopvlakken van de wielen van een wielstel vanzelf hun weg over het spoor, op de meeste plaatsen zonder dat de flensen van de wielen de rails raken.FLASH_PLAYER
Automatische treinbeïnvloeding
Spaakwielen
Remmershokje
Een trein bestond uit een locomotief die een aantal rijtuigen voorttrok. Tot ongeveer 1870 was de rem van de locomotief niet sterk genoeg om alle rijtuigen te laten stoppen. Bij goederentreinen bevond zich in een aantal van de rijtuigen een remmershokje met een remmer. Deze moest uit alle macht aan de remkraan draaien wanneer de machinist daartoe het signaal gaf. Bij passagierstreinen moest ook de conducteur aan de remkraan draaien om de trein tot stilstand te brengen. Hij was de chef van de trein en moest er op toezien dat de rit voor reizigers en treinpersoneel veilig verliep. Voor dat doel had hij een hoge zitplaats in de bagagewagen, van waar hij een goed uitzicht over het spoor had. Als hij iets gevaarlijks zag, kon hij of zelf de remkraan in de bagagewagen aandraaien. Er vonden wel eens ongevallen plaats omdat remmers dit signaal niet of te laat hoorden. Bovendien was het systeem met remmers erg arbeidsintensief.
Automatische luchtrem
Rond 1870 werd de doorgaande rem uitgevonden, waarmee de machinist zijn trein in een keer zelf kon laten stoppen. De meeste Nederlandse treinen werden uitgerust met een doorgaande automatische luchtrem van de Amerikaan George Westinghouse. Een door stoom aangedreven pomp op de locomotief zorgde voor lucht die onder druk door een leiding door de hele trein werd geleid. Als de machinist de druk in de treinleiding verlaagde, liep lucht uit het reservoir van zijn voertuig naar de cilinders, die de remmen deden aanslaan. Al snel kregen alle reizigerstreinen een doorgaande rem. Goederentreinen bleven echter nog lange tijd met het oude systeem van verschillende remmers werken.
Noodrem
Toen de techniek van de doorgaande rem eenmaal ontwikkeld was, werd het ook mogelijk in elk rijtuig een noodrem aan te brengen die door de reizigers zelf bediend kon worden. Vanaf het begin van de twintigste eeuw kregen steeds meer rijtuigen een noodrem. Wanneer reizigers een gevaarlijke situatie op het spoor of in de trein zagen, konden zij aan de noodrem trekken zodat de trein automatisch stopte.
Treinontwerp
FLASH_PLAYER
Onderhoud
Het spreekt voor zich dat het materieel goed onderhouden moet en moest worden om de veiligheid ervan te kunnen garanderen.
Op gehoor
Stoomlocomotieven werden elke dag gecontroleerd door machinist, stoker en/of wagenmeester. Die laatste sloeg met een hamer tegen de wielbanden. Die moesten dan luid en helder klinken. Was de klank dof, dan zat de band los. Was de klank onzuiver – een bijklank – dan was er bijna zeker een scheur.
Ultrageluid
Tegenwoordig worden wielbanden met ultrageluid getest in de werkplaatsen en zo spoort men zelfs de kleinste scheurtjes op, want zo’ n scheurtje geeft een reflectie (een echo dus, zoals ook dokters gebruiken).
Groot onderhoud
Naast die dagelijkse controles, gingen en gaan locomotieven, rijtuigen en treinstellen ook regelmatig naar de werkplaatsen voor groot onderhoud.
FLASH_PLAYER