Dwingende seinen »
    Als alle treinen precies volgens de dienstregeling rijden en alle wissels, bruggen en overwegen precies volgens de dienstregeling zouden worden bediend, zijn er eigenlijk geen seinen langs de baan nodig om treinen op te houden. Maar er is altijd kans op iets onvoorziens. Om die reden zijn er in de loop der tijd steeds verdergaande maatregelen genomen, waarvan de meest opvallende worden behandeld:
    • Ontstaan van seinreglement
    • Ontstaan van seinhuizen
    • Invoering blokstelsel
    • Ontstaan verkeersleidingsposten
    • Automatische knipperlichtinstallaties
    • Ahobs
    Uurwerken »
    Voor het getrouw uitvoeren van de dienstregeling was allereerst nodig dat iedereen die iets met de treinenloop te maken had beschikte over een goed lopend uurwerk en dat de uurwerken van alle betrokkenen naar de zelfde tijd geregeld waren.

    Tijd niet vanzelfsprekend
    Dat klinkt voor ons veel vanzelfsprekender dan het toen was. In 1839 had iedere stad zijn eigen tijd, wat ook natuurlijk zo is, want hoe laat het is hangt mede af van de plaats waar men is op aarde. Voor elke 0,25o geografische lengte verder naar het oosten  wordt het 1 minuut later, voor elke 15o, 1 uur. Tussen Amsterdam en Haarlem was maar een kleine halve minuut tijdverschil,
    maar duidelijk is, dat voor het goed opvolgen van de dienstregeling de klokken gelijk moest lopen en men geen discussies moest hebben over wat op tijd was.

    Stadstijd Amsterdam
    De spoorweg koos voor de stadstijd van Amsterdam, de natuurlijke tijd van de meridiaan over de Amsterdamse Westertoren.  Ook de Rijkstelegraaf, die in 1852 de telegraafdienst over de in 1845 door de HSM aangelegde elektrische telegraaflijn had overgenomen, was geregeld naar Amsterdamse tijd. In 1908 werd bepaald dat in het hele land – en ook voor de spoorwegen -  Amsterdamse tijd moest gelden. In 1940 werd het Middel-Europese tijd (is GMT + 1 uur) en dat is het sindsdien gebleven. 

    FLASH_PLAYER

    Communicatie »
    Gevaar
    Naast het plaatsen van vaste seinen langs de baan bleek het van groot belang dat er op enigerlei wijze communicatie was tussen machinist en de mensen langs de baan. Bij gevaar moest de machinist door wachters, seinhuiswachters en later door de verkeersleiding gewaarschuwd kunnen worden. 

    Signalen
    Vroeger konden (seinhuis-) wachters machinisten voor gevaar waarschuwen met vlag-, lamp of handsignalen.

    Knalsein
    In het geval dat al deze signalen niet zichtbaar zouden zijn, zoals bij dichte mist, hadden de wachters een laatste redmiddel: ze konden dan een knalsein aan het spoor bevestigen. Reed een machinist hierover heen, dan hoorde hij een luide knal, op welk teken hij onmiddellijk moest stoppen.

    Rangeerhoorn
    Een ander communicatiemiddel was de rangeerhoorn. Tijdens het rangeren werd door rangeerders gebruik gemaakt van rangeerhoorns, waarmee ze de machinist middels korte en lange tonen opdrachten konden geven.

    GSM-r
    De machinist heeft tegenwoordig een speciale draadloze telefoon, de gsm r. Hiermee kan hij met de treindienstleider communiceren. Op het bedieningspaneel van een vast toestel en ook op de handheld versie van deze toestellen zit een noodknop. Als die wordt ingedrukt komt er een verbinding met de treinleider tot stand die alle andere machinisten in het gebied kunnen horen.
    Seinhuizen »
    Kleine wachthuisjes
    Aanvankelijk werden alle seinen en wissels handmatig bediend door de wachters langs het spoor. Op plaatsen waar verschillende wissels bij elkaar lagen stonden toen kleine wachthuisjes die rust- en schuilplaats waren van wisselwachters, die met volkomen kennis van de dienstregeling en alle uit te voeren rangeerbewegingen, van wissel naar wissel gingen om het in de goede stand te leggen. Behalve dat zij gevaar liepen om bij drukker treinverkeer te worden aangereden, was er alle kans dat een kleine coördinatiefout tot een ongeluk leidde.

    Centrale handelinrichtingen
    De oplossing kwam aan het einde van de negentiende eeuw met centrale handelinrichtingen, centrale bedieningstoestellen van waaruit wissels en seinen konden worden bediend. Niet alleen had de sein- en wisselwachter aan zo’n handelinrichting beter overzicht, in de handelinrichtingen zelf waren mechanisch uitsluitingen gemaakt die tegenstrijdige sein- en wisselstanden verhinderden.

    Hoge uitkijkposten
    De centrale bedieningstoestellen werden in hoog gelegen seinhuizen langs het spoor geplaatst. Dit werden de werkplekken van de seinhuiswachters, die vanuit hun hoge uitkijkposten de seinen en wissels op ‘hun’ deel van het spoor konden bedienen.
    Verkeersleiding »
    Seinhuizen vervangen
    Inmiddels zijn alle seinhuizen vervangen door 13 verkeersleidingsposten die elk verantwoordelijk zijn voor een bepaald deel van het spoorwegnet.

    Computergestuurd
    Vanuit deze verkeersleidingsposten wordt de treinenloop constant met behulp van computers in de gaten gehouden. Het voordeel daarvan is dat er veel minder mensen nodig zijn voor het handwerk waardoor er minder mis kan gaan in de communicatie tussen al die mensen. Het nadeel is dat als er een computerstoring of, zoals in november 2010, een brand het computersysteem plat legt, het hele treinverkeer volledig ontregeld is.
    Seinen »

    Vlaggen
    Het spreekt bijna vanzelf dat de wachters die in het begin van de spoorwegen met hun vlaggen langs de baan stonden, niet voortdurend  het geldige sein konden tonen. De kans bestond, dat zij hun witte vlag door een of ander voorval niet zouden tonen als er een trein in aantocht was. Dit deed een behoefte aan vaste seinen ontstaan.

    Vaste seinen
    Vaste seinen zijn seinen die een vaste plaats innemen. Het kunnen armseinen zijn, klapborden of lichtseinen, maar ook bij voorbeeld borden met een of andere tekst, of een ander teken volgens het seinreglement.

    Seinreglement »
    Nationaal reglement
    Alle seinen en hun betekenissen zijn vastgelegd in een seinreglement. Op 27 oktober 1875 werden de regeling van de verschillende spoorwegmaatschappijen door de staat vastgelegd in een nationaal seinreglement.

    Betekenis
    Seinen zijn voor het veilig afwikkelen van spoorwegverkeer zo belangrijk, dat in een seinreglement heel precies hun betekenis moet zijn omschreven, opdat daarover nimmer twijfel kan ontstaan. Iedere betrokkene moet ze kennen en geen enkele eigen variatie op het geven en opvolgen van seinen is toegestaan.
    De eerste vaste seinen »
    Armseinen
    De eerste vaste seinen met wisselend beeld waren, naar Engels voorbeeld, armseinen. Zij bestonden uit een paal met een uitstekende arm die verschillende standen kon innemen. Bij nacht toonden zij gekleurd licht, zoals de wachters met hun vlaggen.

    Verschillende kleuren
    Rood was vanaf het begin het teken voor stop. Wit was de kleur voor Veilig. De betekenis van Groen was: vaart minderen en rekenen op stoppen,dus de betekenis die tegenwoordig Geel heeft. Omdat machinisten nog wel eens moeite hadden met de interpretatie van witte seinen, werd op 16 juli 1934 besloten in het hele land de witte seinglazen te vervangen door groene en de groene door gele, waarmee de huidige kleurvolgorde Groen, Geel, Rood ontstond.
    Lichtseinen »
    Nadelen van armseinen
    Het bedienen van armseinen was arbeidsintensief. De seinen kenden bovendien maar twee aanduidingen: stoppen of doorrijden. Snelheidsbeperkingen konden er niet mee worden aangegeven. Door de aanwezigheid van bovenleidingen waren armseinen ook slecht zichtbaar geworden.

    Nieuw seinstelsel
    Vanaf 1946 werd dan ook een nieuw seinstelsel ingevoerd, waarbij de armseinen door lichtseinen werden vervangen. De seinen gaven voortaan - en tamelijk gedetailleerd - snelheidsindicaties die moesten worden opgevolgd.  Het principe van snelheidsseinen is sindsdien behouden gebleven omdat dit in feite in alle gevallen de voor de veiligheid meest essentiële informatie geeft.

    FLASH_PLAYER

    Blokstelsel »
    In blokken ingedeeld
    Vanaf 1876 werd het blokstelsel ingevoerd. Hierbij werd het spoor uit veiligheidsoverwegingen in blokken ingedeeld. Een blok bestond in de regel uit ongeveer 1 a 1,5 kilometer spoor. Sein- en baanwachters zagen er op toe dat er maar één trein tegelijk in een blok aanwezig was. Om aan de machinist duidelijk te maken of er een andere trein in het blok aanwezig was, konden zij seinen langs het spoor bedienen. Rood betekende stoppen, wit betekende veilig.

    Bloktoestellen
    Aanvankelijk werden de seinen handmatig bediend, later gebeurde dat door middel van bloktoestellen waarmee seinen en wissels op afstand konden worden bediend.

    Automatisch blokstelsel
    In de jaren ‘50 en ’60 van de vorige eeuw is op veel plekken in Nederland het automatisch blokstelsel ingevoerd. Net als vroeger werd daarbij het spoor in een aantal blokken ingedeeld. Verschil was dat de trein zelf de seinen langs het spoor kon bedienen. Nog steeds gaat dat als volgt: als de trein een blok binnenrijdt, maakt hij met zijn wielen contact met de spoorstaven waar een zwakke elektrische stroom doorheen loopt. De stroomkring wordt nu kortgesloten en het lichtsein dat toegang geeft tot het blok valt daarbij automatisch op rood, zodat de machinist van de volgende trein weet dat het betreffende blok bezet is.

    FLASH_PLAYER