Gevaar!

Reizen met de trein werd in de loop van de oorlog steeds gevaarlijker. NS moest verschillende maatregelen nemen tegen de toenemende beschietingen door geallieerde vliegtuigen. De piloten zagen vanuit de lucht geen verschil tussen Duitse Wehrmachttreinen en treinen met burgers. Alleen al in 1944 vielen bij deze luchtaanvallen 276 slachtoffers, waaronder tientallen NS-medewerkers. Om vooral ’s nachts zo min mogelijk aandacht te trekken, werden locomotieven en rijtuigen verduisterd. Wanneer er geallieerde jagers waren gesignaleerd, werd dit pijlsnel telegrafisch doorgegeven aan de verschillende stations. Vervolgens werd een geel-blauw-gele vlag gehesen om het treinpersoneel te waarschuwen voor luchtgevaar. Daarnaast kregen de spoorwegen steeds vaker te maken met sabotage door het Nederlandse verzet, waardoor de Duitsers in 1942 eisten dat een zogeheten ‘railwacht’ werd opgericht. Deze had tot taak het spoor grondig op ongeregeldheden te controleren en zo ongelukken te voorkomen.

Geallieerde luchtaanvallen

Vanaf het voorjaar van 1943 namen de aanvallen geallieerde jachtvliegtuigen op het spoor sterk toe. Doel daarvan was om de troepen- en bevoorradingstransporten van het Duitse leger te ontregelen. Vooral stoomlocomotieven moesten het daarbij ontgelden. Ook seinhuizen, vliegvelden, schepen, wegen, auto’s en gebouwen waren regelmatig doelwit van de luchtaanvallen. Om te voorkomen dat de geallieerde piloten ’s avonds een rijdende trein ontdekten, werden bij de spoorwegen verschillende verduisteringsmaatregelen genomen. De beschietingen hadden nagenoeg geen effect op de dienstregeling. Het treinverkeer, en daarmee ook de transporten voor de Wehrmacht, ging gewoon door.

Railwacht

De spoorwegen werden niet alleen doelwit van geallieerde beschietingen, maar ook van sabotageacties van Nederlandse verzetsgroepen. Zij probeerden de transporten voor het Duitse leger te bemoeilijken door bijvoorbeeld springstoffen te plaatsen of spoorbouten los te draaien. Op bevel van de Duitsers werd daarom in 1942 een railwacht opgericht. Hiervoor werden ongeveer tweeduizend mannen van buiten NS aangesteld. De kosten van de railwacht werden betaald door de Nederlandse overheid. De railwachters controleerden onder supervisie van NS-medewerkers acht keer per dag de belangrijkste baanvakken en legden zodoende meer dan 30 km per dag af. Al in de eerste zeven maanden na de indienststelling van de eerste railwachters kwamen 16 van hen om het leven door ongelukken en luchtaanvallen op het spoor.