Oorlogsdreiging

Op 20 september 1939 wilde NS het honderdjarige bestaan van de spoorwegen in Nederland vieren met een grote overzichtstentoonstelling en een feestelijk programma vol optredens, optochten en toespraken. Het eeuwfeest werd echter overschaduwd door de toenemende oorlogsdreiging. De Nederlandse regering hoopte dat het land net als tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal kon blijven. De kans op een oorlog met Nazi-Duitsland werd steeds waarschijnlijker toen het bewind van Adolf Hitler een niet-aanvalsverdrag met de Sovjet-Unie sloot. Daarop besloot de Nederlandse regering op 28 augustus 1939 tot algemene mobilisatie. De spoorwegen werden in beslag genomen door het Nederlandse leger en onder bevel van de directeur van de Etappen -en Verkeersdienst van de Generale Staf geplaatst. In enkele dagen tijd moest NS ruim 150.000 militairen, tienduizenden paarden en militair materieel vervoeren. Dit ging zo voorspoedig, dat de reguliere treindienst al snel weer op gang kwam. Tegelijkertijd trof NS zelf ook maatregelen voor een mogelijke oorlog met Duitsland. Zo werden stationschefs voorbereid op het idee om treinen en seinhuizen te vernielen voordat de vijand ze in handen zouden krijgen. Ook werden oefeningen met gasmaskers gedaan. Ondanks deze voorbereidingen werd NS, net als de rest van Nederland, overrompeld door de Duitse inval op 10 mei 1940.

100 jaar spoorwegen

In 1939 bestonden de spoorwegen in Nederland honderd jaar. NS wilde groots uitpakken met onder meer een overzichtstentoonstelling over de geschiedenis van de spoorwegen in Amsterdam. Hiervoor was zelfs een van de eerste stoomlocomotieven, De Arend, nagebouwd. Als gevolg van de mobilisatie kreeg het feest een meer ingetogen karakter en werden sommige festiviteiten kleinschaliger uitgevoerd of afgelast. Volgens de cijfers van NS zelf werd de overzichtstentoonstelling met 258.724 bezoekers desondanks een groot succes.

Mobilisatie

Vanwege de toenemende oorlogsdreiging van Nazi-Duitsland werd op 28 augustus 1939 in Nederland een algehele mobilisatie afgekondigd. Alleen al op de eerste dag van de mobilisatie, 29 augustus, gebruikte NS 430 treinen uit de gewone dienstregeling en 85 extratreinen om ca. 144.000 soldaten naar hun stellingen te vervoeren. Daarnaast werden per spoor 16.000 paarden getransporteerd. Alleen reizigers die naar het buitenland moesten reizen, konden de trein nemen. Op de tweede dag was een beperkte dienstregeling van kracht. De diesel- en elektrische treinen stonden aan de kant omdat de dienstregelingen voor de mobilisatie al aan het begin van de jaren dertig waren gemaakt, in de tijd dat er voornamelijk stoomtreinen reden.

Voorzorgsmaatregelen

NS nam diverse voorzorgsmaatregelen in verband met de oorlogsdreiging. Zo werden bij kantoren schuilloopgraven gegraven en evacuatieplannen opgesteld en werd een luchtbeschermingsdienst in het leven geroepen. Spoorwegmedewerkers werden lid van de Vrijwillige Landstorm, die bestond uit burgers die het leger ondersteunden. Leden van de Vrijwillige Landstorm oefenden onder meer met het gebruik van gasmaskers, omdat gevreesd werd dat de Duitsers net als tijdens de Eerste Wereldoorlog gifgassen zouden gebruiken. Bovendien schreef NS zijn eigen ‘Aanwijzingen’ voor het personeel voor het geval het tot een Duitse aanval zou komen.

Code Martini

Toen de oorlogsdreiging in april 1940 steeds sterker werd, kreeg NS namens kapitein J.J. Jurrissen van de sectie Spoorwegdienst instructies om vernielingen aan te brengen wanneer Nazi-Duitsland Nederland zou aanvallen. Deze opdracht zou moeten worden uitgevoerd nadat het codewoord ‘Martini’ was gegeven. De spoorwegen werden, net als de rest van Nederland, ondanks alle voorbereidingen toch verrast door de Duitse inval op 10 mei 1940. Daardoor werden de vernielingen niet op alle stations op tijd uitgevoerd.

Vijf dagen oorlog

Het Duitse leger gebruikte in de oorlog met Nederland niet alleen vliegtuigen en tanks, maar ook zes pantsertreinen, die door stalen beplating beschermd waren tegen beschietingen. De bedoeling was dat deze door de Nederlandse linies zouden breken om strategisch gelegen spoorbruggen veilig te stellen. De meeste bruggen werden echter voor de ogen van de Duitse bemanning van de treinen opgeblazen door Nederlandse soldaten. Ondanks deze succesvolle acties bleek al snel dat het Nederlandse leger niet opgewassen was tegen de overmacht van de Duitsers. Koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering vertrokken op 13 mei naar Londen. Ook directeur Goudriaan wilde met zijn gezin naar Engeland vluchten, maar zijn poging mislukte. Om het Nederlandse leger tot overgave te dwingen voerden de Duitsers op 14 mei 1940 een zwaar bombardement op Rotterdam uit, waarbij de historische binnenstad vernietigd werd. Er vielen ca. 850 slachtoffers en ca. 80.000 mensen werden dakloos. De Duitsers dreigden nog meer steden te bombarderen, waarop het Nederlandse leger op 15 mei capituleerde.